Voor socialisme en de bevrijding van vrouwen: Alexandra Kollontai (1872-1952)

Een nieuwe generatie van vrouwen wordt vandaag actief in de strijd tegen discriminatie en onderdrukking. Daarbij is het nuttig om terug te blikken op het leven en de opvattingen van de Russische revolutionaire Alexandra Kollontai, een pionier in de strijd voor socialisme en bevrijding van de vrouwen. Kollontai overleed in 1952.

Dossier door Christine Thomas uit 2003 en nu naar het Nederlands vertaald

Kollontai is wellicht de best gekende vrouw onder de Russische revolutionairen. Ze was de eerste vrouw die als vol lid van het centraal comité van de Bolsjewieken werd verkozen en ook de eerste vrouwelijke commissaris (minister) na de revolutie van oktober 1917.

Als revolutionair moest Kollontai niet alleen breken met de geprivilegieerde achtergrond van waar ze kwam, maar ook met de normen en verwachtingen die aan de rol van de vrouw werden verbonden. Ze zou zich nooit beperkten tot een rol van iemands vrouw of moeder. Ze schreef aan haar tweede echtgenoot, de Bolsjewistische marinier Dybenko, bij het beëindigen van hun relatie: “Ik ben niet de vrouw die jij nodig hebt, ik ben immers eerst een persoon en dan pas een vrouw… Dat is nu eenmaal zo voor mij.”

Kollontai nam deel aan politieke activiteiten, waaronder zowel de revoluties van 1905 als van 1917. Daarbij probeerde ze steeds om vrouwelijke arbeiders te betrekken in de strijd om de samenleving te veranderen. Ze had ook steeds aandacht voor de vraag hoe de revolutionaire partij en de nieuwe samenleving antwoorden konden bieden op de specifieke onderdrukking van vrouwen.

Haar opvattingen over persoonlijke relaties en seksualiteit waren erg controversieel. Jarenlang werd een verwrongen beeld gegeven van deze opvattingen. De thema’s die ze aanbracht in haar werk en haar politieke activiteit, blijven evenwel van belang.

Dubbele onderdrukking van vrouwen

Het politieke bewustzijn van Kollontai groeide geleidelijk. Zelf stelde ze dat een bezoek aan een textielfabriek in 1895 een keerpunt vormde. De hoofdzakelijk vrouwelijke arbeiders moesten 12 tot 18 uur per dag werken en leefden quasi opgesloten, ze sliepen ook in grote slaapzalen op de fabriek. Hun arbeids- en leefmilieu was dermate vervuild dat de meesten niet ouder werden dan 30 jaar. Tijdens het bezoek van Kollontai overleed een baby van een arbeider, een gebeurtenis die wel meer voorkwam.

Ondanks de verschrikkelijke omstandigheden was er in de jaren 1890 een eerste opleving van strijd onder vrouwen. In het jaar dat Kollontai de textielfabriek bezocht was er een staking van meer dan 1.000 vrouwelijke arbeiders van een sigarettenfabriek in St Peterburg. Hun belangrijkste eisen waren gericht tegen het seksueel misbruik door de bazen. De chef van de politie verklaarde dat de lage lonen van de vrouwen in de fabrieken makkelijk konden worden aangevuld door mannen op te pikken om een centje bij te verdienen. Deze staking was maar een van de vele stakingen van vrouwelijke arbeiders uit die periode.

Kollontai werd actief bij de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (RSDAP), die in 1903 splitste in twee fracties (de Mensjewieken en de Bolsjewieken) die in 1912 twee afzonderlijke partijen werden. Het was pas na de revolutie van 1905 dat Kollontai zich actief inzette voor campagnes onder vrouwelijke arbeiders.

Tegen 1905 waren vrouwen goed voor zowat 40% van de Russische arbeidskrachten, maar algemeen werd aangenomen dat ze ‘achter’ stonden op het vlak van syndicaal en politiek bewustzijn. Nochtans speelden vrouwen een actieve rol in de revolutionaire stakingsgolf en lieten ze hun stem horen. Zo waren 11.000 textielarbeiders betrokken bij een van de langste stakingen ooit. De arbeiders kwamen op voor betaald zwangerschapsverlof, tijd om borstvoeding te geven, plaatsen op de werkvloer om kleine kinderen te verzorgen,…

De revolutie van 1905-07 versterkte de vrouwenbeweging in Rusland. Vrouwen uit de middenklasse kwamen op voor hun politieke rechten en eisten onder meer een versoepeling van de regels voor echtscheiding, gelijkheid op legaal vlak en qua eigendomsrechten en uiteraard werd ook stemrecht geëist. Burgerlijke feministen dachten dat het mogelijk was om gelijkheid af te dwingen onder het kapitalisme. De RSDAP daarentegen stelde dat vrouwen enkel konden worden bevrijd door een fundamentele economische en sociale verandering waarbij het privaat bezit van de productiemiddelen werd vervangen door een socialistische samenleving.

Kollontai was zich al snel bewust van de gevaren van een feministische ideologie waarbij vrouwenemancipatie werd beperkt tot eisen op het vlak van legale rechten terwijl niets werd ondernomen op sociaal en economisch vlak. Vrouwen, ook arbeiders, konden worden aangetrokken tot organisatie die leken op te komen voor hun specifieke bekommernissen waarbij het idee van een eenheid over klassen heen een zekere aantrekkingskracht kon hebben. Dat werd versterkt door het gebrek aan aandacht van de marxisten voor de positie van vrouwen. Voor Kollontai kon de bevrijding van vrouwen enkel door het socialisme worden bereikt en liepen de belangen van vrouwelijke arbeiders samen met die van mannelijke arbeiders. Daarnaast hadden vrouwen specifieke eisen op basis van hun geslacht, ze werden immers dubbel onderdrukt.

Vrouwen werkten meestal als ongeschoolde arbeiders, ze werden minder betaald, moesten opdraaien voor de kinderen en het huishouden. Ze werden op het werk seksueel lastig gevallen, er was geweld en vaak ook misbruik thuis. Ze werden gediscrimineerd en algemeen onderdrukt in de samenleving. Marxisten moesten deze specifieke problemen aanpakken, stelde Kollontai. Dat was noodzakelijk om hen voor het socialisme te winnen en van de valse beloften van het burgerlijke feminisme weg te houden.

Er waren niet veel vrouwelijke leden in de marxistische beweging. Kollontai pleitte ervoor om vrouwen te organiseren en stelde voor om een vrouwenbureau op te zetten om onder leiding van de partij en met het partijprogramma vrouwen te organiseren en te integreren in de partij.

Ze stelde dat de partij zichtbaar moest reageren op specifieke problemen van vrouwen en moest ingaan op de last van werk, kinderen en huishouden waardoor het moeilijker was om politiek actief te zijn. Vrouwen werden uiteraard ook door de heersende normen van de samenleving van politiek activisme weg gehouden. Dit zorgde voor een gebrek aan zelfvertrouwen in het eigen kunnen, wat aangewakkerd werd door de houding van mannen waaronder ook veel mannen in de arbeidersbeweging, die onder de invloed stonden van de vooroordelen van de samenleving waarin ze leefden. Marxisten moesten deze obstakels overwinnen en vrouwen bewust organiseren.

Over verschillende klassen heen voor bevrijding opkomen?

Op het vlak van vrouwenonderdrukking baseerde de RSDAP zich vooral op het boek ‘De oorsprong van het gezin, private eigendom en de staat’ van Engels en ‘De vrouw onder het socialisme’ van Bebel. Er waren echter geen marxistische teksten die ingingen op de strategie die de arbeidersbeweging moest volgen om vrouwelijke arbeiders te betrekken in de strijd voor verandering. De RSDAP had amper enig materiaal dat specifiek op vrouwen was gericht. Er was enkel een brochure van 24 pagina’s, ‘De vrouwelijke arbeider’, in 1900 door Kroepskaja geschreven.

In 1903 werd gelijkheid op basis van geslacht opgenomen in het partijprogramma. Daarnaast werd opgekomen voor 10 weken zwangerschapsverlof, pre- en postnatale verzorging en kinderopvang. Er was echter weinig publieke activiteit om deze eisen bekend te maken onder vrouwen op de werkvloer. Heel wat partijleden stonden nadien vijandig tegenover het idee van een vrouwenbureau of tegen specifieke propaganda gericht op vrouwen. Sommigen zagen dit als ‘feminisme’ waarbij de vrouwelijke arbeiders los werden gezien van de algemene arbeidersbeweging.

Daartegenover benadrukte Kollontai dat arbeiderseenheid inderdaad essentieel was, maar dat dit niet kon worden bekomen als er niet specifiek werd ingegaan op de specifieke onderdrukking van vrouwen. Ze kwam op tegen diegenen die beweerden dat er geen specifieke benadering nodig was. Ze ging ook in tegen diegenen die stelden dat werk onder vrouwen niet belangrijk was en de aandacht zou afleiden van de klassenstrijd in het algemeen.

Het feminisme van vandaag kan amper worden vergeleken met wat in Rusland honderd jaar geleden bestond. Maar er zijn wel een aantal gelijkaardige discussies zoals de vraag of vrouwen over klassengrenzen moeten worden georganiseerd. Er zijn uiteraard nog altijd problemen die vrouwen van alle klassen ondervinden. Geweld binnen het gezin, verkrachtingen en misbruik, seksisme, beperking van het recht op abortus,… hebben een impact op vrouwen van alle klassen. Maar de klassenachtergrond heeft een invloed op de strategie van vrouwen om deze problemen aan te pakken.

Marxisten steunen de strijd voor het verdedigen en uitbreiden van rechten van vrouwen onder het huidige systeem, maar leggen tegelijk uit dat het kapitalisme uiteindelijk niet in staat is om gelijkheid te brengen of om de specifieke genderproblemen van vrouwen op te lossen. Daartoe moeten vrouwen samen met mannen uit de arbeidersbeweging een bredere strijd voor verandering aangaan. Voor ons is de strijd voor de bevrijding van vrouwen een ‘klassenkwestie’ aangezien de onderdrukking van vrouwen is ontwikkeld door de opdeling van de samenleving in klassen en is versterkt door de verschillende vormen van klassensamenleving, waaronder het kapitalisme. Enkel door een einde te maken aan die klassensamenleving en het socialisme te vestigen, kan een einde worden gemaakt aan de onderdrukking van vrouwen.

Tijdens de revolutie van 1905 werden informele arbeidersclubs opgezet. In de lente van 1906 pleitte Kollontai er samen met andere arbeidersvrouwen voor om deze clubs te openen voor vrouwenvergaderingen. Na een bezoek aan Duitsland, waar de Sociaal-Democratische Partij (SDP) een massapartij was met een functionerend vrouwenbureau, wilde Kollontai een vrouwenbureau opzetten in St Petersburg. Ze kreeg de partij zo ver dat er een bijeenkomst van vrouwen mocht doorgaan. In haar autobiografie vermeldt Kollontai dat er aan de vergaderzaal een notitie was opgehangen: “De vrouwenvergadering is afgelast, morgen is er een vergadering voor mannen.” Om de vrouwen georganiseerd te krijgen, moest worden afgerekend met een aantal vooroordelen en moeilijkheden.

Er werd tussengekomen in de feministische meetings. De feministen hielden in 1908 een nationaal congres onder de titel “De vrouwenbeweging is niet burgerlijk of proletarisch, maar een beweging voor alle vrouwen.” Kollontai voerde campagne om vrouwelijke arbeiders op dit congres te krijgen en daar in te gaan tegen de feministen. Er waren duizenden aanwezigen op de vergaderingen voor het congres, waaronder veel arbeiders uit diverse sectoren. Op het congres zelf waren de meeste afgevaardigden textielarbeidsters.

Tussen oktober en december 1908 sprak Kollontai op 52 meetings in St Petersburg. Om de repressie te omzeilen, gingen de vergaderingen vaak door onder het mom van ‘naaikringen’ of ‘discussies over hygiëne.’ Kollontai schreef een boek, ‘De sociale basis van de vrouwenkwestie’, om de vrouwelijke arbeiders politiek voor te bereiden op het congres. Jammer genoeg verscheen het boek te laat om die rol te spelen.

Het congres werd een mislukking omwille van de overheidsrepressie (ook Kollontai moest weg om een arrestatie te vermijden) maar ook omwille van de interne tegenstellingen. Een beweging die probeerde om zowel de meid als de vrouw van de patroon te organiseren, was gedoemd om te mislukken wegens spanningen en inherente tegenstellingen.

Ballingschap, oorlog en revolutie

De periode van reactie na de nederlaag van de revolutie van 1905 dwong ook Kollontai tot ballingschap. Ze kwam pas bij het begin van de revolutie van 1917 naar Rusland terug. Ze verbleef het grootste deel van deze periode in Duitsland waar ze politiek actief was bij de SPD en op verschillende meetings sprak. Ze bleef schrijven over thema’s die vrouwen aanbelangen en begon ook een aantal standpunten te ontwikkelen over seksualiteit en persoonlijke relaties. Ze koos de kant van de Mensjewieken tot in 1915. Het begin van de eerste wereldoorlog en de positie van beide partijen deed haar overstappen naar de Bolsjewieken.

De objectieve situatie in Rusland veranderde in 1912 met een nieuwe golf van stakingsacties, waarbij ook veel vrouwen meestaakten. De Pravda, het blad van de Bolsjewieken, bracht artikels over de uitbuiting van vrouwen op de werkvloer en er waren meer brieven van vrouwen in de krant. In 1913 stemde het centraal comité ermee in om een speciale inspanning te doen om vrouwen te organiseren. De editie van de Pravda naar aanleiding van de internationale vrouwendag van 1913 kreeg zoveel brieven toegestuurd dat deze niet allemaal konden worden afgeprint. Het leidde ertoe dat beslist werd om een specifieke krant voor vrouwen op te zetten. De redactie omvatte onder meer Konkordia Samioliva en Inessa Armand die een belangrijke rol zouden spelen in de werking van de partij onder vrouwen.

De eerste editie van Rabotnista (vrouwelijke arbeider) werd op 12.000 exemplaren verspreid. Er verschenen zeven exemplaren tussen februari en juni 1914. Er waren artikels over vrouwenonderdrukking, verslagen van de werkomstandigheden, artikels over kinderopvang, voor stemrecht of rond ‘familiale problemen’. Andere kranten van de Bolsjewieken, zoals ‘De Textielarbeider’ of ‘De Metaalarbeider’ brachten speciale edities uit naar aanleiding van de Internationale Vrouwendag.

Het uitbreken van de oorlog in 1914 doorkruiste deze ontwikkeling, maar tegen 1917 waren de voorwaarden voor revolutie opnieuw rijper. Er was in de oorlog een toevloed van vrouwen op de werkvloer waardoor ze opnieuw 40% van de arbeidskrachten vormden. Het rantsoeneren van brood betekende dat vrouwen na een shift van 12 uur in de fabriek nog eens moesten aanschuiven voor brood.

Het waren betogingen van vrouwen naar aanleiding van de Internationale Vrouwendag (8 maart) die het begin van de revolutie van 1917 vormden. Er waren tienduizenden betogers die opkwamen voor slogans als “Brood en vrede” en “Weg met de dictatuur”.

Kollontai kwam terug naar Rusland en gooide zich in de maalstroom van politieke meetings en activiteiten. Samen met Trotski en Zinoviev was ze een van de meest populaire sprekers. Ze was ook een van de weinige Bolsjewieken die meteen steun gaf aan Lenin’s Aprilstellingen waarin iedere steun aan de voorlopige regering werd verworpen. Lenin stelde dat deze voorlopige regering geen brood, land en vrede zou brengen, maar dat daartoe de macht moest worden overgedragen aan de sovjets, de democratische organisaties van arbeiders, soldaten en boeren.

Kollontai was onder meer actief in het organiseren van soldatenvrouwen, zo was er een betoging van 15.000 soldatenvrouwen die meer steun eisten. Ze nam ook deel aan de vele stakingsacties van vrouwelijke arbeiders en het organiseren van de meest onderdrukte lagen zoals huispersoneel of horecapersoneel.

Op de conferentie van de Bolsjewieken in april 1917 stelde Kollontai dat de partij systematischer onder vrouwen moest werken en daartoe nood had aan specifieke structuren. Er waren al heel wat informele groepen opgezet. De partij besloot om Rabotnista opnieuw te lanceren als blad om de vrouwelijke arbeiders te organiseren. De eerste editie werd uitgebracht op 40.000 exemplaren en was bijna meteen uitverkocht. Er waren ook massale bijeenkomsten in heel het land. Dit was belangrijk om vrouwen ervan te overtuigen om de Bolsjewieken te steunen in de revolutie die in oktober van dat jaar een arbeidersregering aan de macht zou brengen.

De nieuwe sovjetregering ging hierop de uitdaging aan om een nieuwe samenleving op te bouwen. Kollontai zou daar een belangrijke bijdrage aan leveren door vrouwelijke arbeiders te betrekken en hun behoeften zowel als arbeiders als vrouwen naar voor te brengen.

De belofte van revolutie

De autobiografie van Kollontai biedt een beeld van de enorme moeilijkheden waarmee de nieuwe arbeidersregering werd geconfronteerd in het economisch achtergebleven land dat door oorlog was vernield. Op het einde van oktober 1917 werd Kollontai verkozen als Commissaris van Sociaal Welzijn. Wat dat omvatte, was aanvankelijk niet duidelijk. Maar het werd een soort van algemene sociale dienst gericht op daklozen, oorlogsslachtoffers, bejaarden kinderen,… Het Commissariaat werd meteen belegerd door mensen die wanhopig een oplossing wilden voor hun verschrikkelijke problemen. Kollontai moest daarmee omgaan terwijl er amper middelen waren en er bovendien actieve sabotage was door de voorheen tsaristische ambtenaren.

Kollontai was betrokken bij het opmaken van wetten en decreten om de situatie van vrouwen te verbeteren. Er kwam volledige burgerlijke, wettelijke en electorale gelijkheid. Het principe van gelijk loon voor gelijk werk werd gevestigd en vrouwen werden uitgesloten van werkplaatsen en jobs die slecht waren voor hun gezondheid. De duur van de shifts dat kon worden gewerkt, werd eveneens beperkt.

In december 1917 werd een nieuwe huwelijkswet ingevoerd waardoor het kerkelijke huwelijk werd vervangen door een burgerlijk huwelijk. Echtscheiding werd gemakkelijker en vrouwen konden kiezen welke familienaam ze gebruikten. Kollontai was bijzonder actief rond de kwestie van zwangerschapsverlof en de bescherming van werkende moeders. Daar had ze in haar Europese ballingschap ook een studie naar gedaan die resulteerde in een boek van 600 pagina’s onder de titel “Samenleving en moederschap”. Daarin stelde ze dat het grootbrengen en opvoeden van kinderen geen individuele taak mag zijn, maar een sociale functie waar de volledige samenleving de vruchten van plukt en dus ook een inspanning toe moet leveren.

Dit had een invloed op het beleid. De regering voerde een betaald zwangerschapsverlof van 16 weken in. Moeders met jonge kinderen mochten niet meer dan vier dagen per week werken en kregen regelmatige pauzes voor borstvoeding. Al deze maatregelen liepen ver vooruit op wat in alle andere Europese landen bestond.

Socialisme en het gezin

In haar werken ging Kollontai dieper in op het marxistische standpunt over vrouwenonderdrukking, het gezin en persoonlijke relaties. Het omverwerpen van het kapitalisme en grootgrondbezit in Rusland zorgde ervoor dat dit niet langer theoretische discussies waren, maar concrete actiepunten van de nieuwe regering.

Kollontai stelde dat vrouwen pas volledig bevrijd zijn als ze niet langer gebukt gaan onder de beperkingen van het gezin als instelling in een klassensamenleving. Engels had er al op gewezen dat er voor de klassensamenlevingen systemen hadden bestaan waarbij er geen systematische onderdrukking van vrouwen was en waar de sociale basiseenheid niet het gezin maar de ‘gens’ (de stammengroep) was. Sociale afspraken lagen niet vast, maar veranderden naarmate de economische basis van de samenleving veranderde. De geïnstitutionaliseerde onderdrukking van vrouwen kwam er pas in de klassensamenlevingen waarbij het gezin de centrale sociale eenheid werd. Economische verhoudingen werden binnen het gezin weerspiegeld waardoor vrouwen in de praktijk het privaat bezit van de mannen werden. Zo controleerden de mannen de seksualiteit van de vrouwen om de afkomst van kinderen met zekerheid te kunnen vaststellen, wat van belang was bij het erfrecht.

Het programma van de Communistische Partij uit 1919 stelde: “De partij beperkt zich niet tot de formele gelijkheid van vrouwen, maar streeft ernaar om vrouwen te bevrijden van de materiële lasten van het huishoudelijk werk door dit te vervangen door gemeenschapshuizen, publieke restaurants, gecentraliseerde wasplaatsen,…” Vrouwen werden lokaal actief in campagnes voor het organiseren van gemeenschappelijke diensten. Tegen 1920 at 90% van de bevolking van Petrograd in gemeenschappelijke eetgelegenheden. De kwaliteit van dergelijke faciliteiten varieerde wel sterk doorheen het land.

De oorlog en burgeroorlog zetten de mogelijkheden om degelijke openbare diensten aan te bieden onder druk. Vaak was het eten in publieke restaurants van een erg slechte kwaliteit. Er waren enorme inspanningen om dergelijke problemen te overkomen, maar dit was niet evident. Het zorgde er ook voor dat een aantal vrouwen terugkeerde naar de traditionele rol die ze in het gezin speelden.

De bevrijding organiseren

De Bolsjewieken geloofden dat het niet mogelijk was om het socialisme op te bouwen in een geïsoleerd land dat economisch en cultureel achterop was gebleven. Als internationalisten keken ze uit naar revoluties in de ontwikkelde kapitalistische landen. De maatregelen die in Rusland werden genomen, vormden een voorbeeld voor de arbeiders doorheen de hele wereld. “Zelfs als we het niet halen”, schreef Kollontai, “hebben we enorme zaken bereikt. We maken een einde aan oude ideeën.”

De Sovjetregering moest rekening houden met het bestaande bewustzijn van vrouwen en mannen. Zeker op het platteland was dit vaak niet evident, het gezin was daar erg patriarchaal georganiseerd. Een Russisch spreekwoord stelde: “Een hen is geen vogel en een vrouw is geen persoon.” Kollontai stelde dat de basis voor de bevrijding van vrouwen zich niet beperkte tot economische veranderingen, maar ook culturele en psychologische veranderingen omvatte. Daartoe was een bewuste campagne noodzakelijk.

Kollontai stelde dat het noodzakelijk was om vrouwen te organiseren in de strijd voor hun bevrijding. In november 1918 organiseerde ze mee een nationaal vrouwencongres waarop 1.147 afgevaardigden aanwezig waren, waaronder 100 vertegenwoordigers van boerenvrouwen. Het congres was groter dan verwacht en bediscussieerde een reeks specifieke problemen van vrouwen, waaronder seksistisch taalgebruik. Er werd besloten om vrouwengroepen op te zetten die op ieder niveau zouden meehelpen aan de opbouw van de nieuwe samenleving. Het vrouwendepartement, Zhenotdel, werd in 1919 opgezet om de vrouwenwerking te organiseren. Na de dood van Inessa Armand in 1920 werd Kollontai er voorzitter van.

Het werk van Zhenotdel was erg moeilijk en divers. Er werd kinderopvang georganiseerd, huisvesting en gezondheidszorg. De druk van de vrouwenwerking zorgde ervoor dat de regering in 1920 overging tot het legaliseren van abortus in overheidsziekenhuizen. Er werd ook ingegaan tegen prostitutie, een sociaal probleem dat begon te verdwijnen na de revolutie van 1917 maar in de burgeroorlog een nieuwe opmars kende. Daarnaast werden vrouwen georganiseerd, ook waar het moeilijker was zoals onder moslimvrouwen in Centraal-Azië.

Revolutie in de menselijke psyche

In verschillende teksten had Kollontai het al over het verband tussen sociale verandering en persoonlijke relaties. Een slogan van de vrouwenbeweging in de jaren 1970 was “het persoonlijke is politiek”. Dat idee was al aanwezig in wat Kollontai op het begin van de 20ste eeuw schreef.

Kollontai erkende dat de meest intieme onderdelen van persoonlijke relaties ook worden bepaald door economische en sociale structuren. Sociale ongelijkheid komt tot uiting in seksuele relaties. Vrouwen worden onder het kapitalisme aangeleerd dat hun identiteit wordt bepaald aan de hand van hun rol als vrouw en moeder. De ‘normen’ van deze samenleving bepalen dat vrouwen zich ondergeschikt en volgzaam moeten opstellen. Mannen daarentegen werd aangeleerd om dominant te zijn, ook in persoonlijke relaties. Kollontai ging daar tegen in, ook in haar eigen relaties probeerde ze steeds haar eigen individualiteit en onafhankelijkheid te behouden. Op persoonlijk vlak zorgde ze zelf voor een mini-schandaal, zelfs in revolutionaire kringen, door een relatie aan te gaan met de Bolsjewistische marinier Dybenko die 17 jaar jonger was en van een totaal andere sociale achtergrond kwam.

Net zoals Engels probeerde Kollontai zich niet uit te spreken over de vormen van persoonlijke relaties in de nieuwe socialistische samenleving. Het lijkt er op dat Engels zelf de voorkeur gaf aan een heteroseksuele monogame verhouding, maar in ‘De oorsprong van het gezin’ laat hij open welke vormen dit onder het socialisme zou aannemen. “Dat zal beslist worden als er een nieuw geslacht zal zijn opgegroeid: een geslacht van mannen, wie het nooit in hun leven is overkomen, voor geld of andere sociale machtsmiddelen de prijsgeving van een vrouw te kopen, en van vrouwen, wie het nooit is overkomen zich om enige andere reden dan uit werkelijke liefde aan een man te geven, noch de geliefde de overgave te weigeren uit angst voor de economische gevolgen. Als zulke mensen er eenmaal zijn, zullen zij er zich in het minst niet om bekommeren wat men vandaag meent dat zij moeten doen; zij zullen zich hun eigen praktijk en een daarop berustende openbare mening over de praktijk van ieder individu zelf vormen – en daarmee basta.”

Kollontai stelde dat een nieuwe “moraal” zou ontwikkelingen doorheen de opbouw van de nieuwe samenleving. Relaties zouden niet noodzakelijk monogaam of langdurig zijn. Mannen en vrouwen (Kollontai verwees niet naar relaties binnen hetzelfde geslacht) zouden zo lang bijeen blijven als de liefde zou duren en uit elkaar gaan eens dat voorbij was. Als vrouwen niet economisch afhankelijk zouden zijn van mannen en er collectieve verantwoordelijkheid was voor de kinderen, zou dit niet zo complex zijn als onder het kapitalisme.

De eigendomsverhoudingen veranderen, zou de basis leggen voor vrije relaties. Maar dat zou moeten gepaard gaan met een “revolutie in de menselijke psyche”, aldus Kollontai. “Zonder een fundamentele heropvoeding van onze psyche zouden de problemen niet worden opgelost.”

De oorsprong van onderdrukking

Kollontai was niet de mening toegedaan dat mannen en vrouwen gewoon moesten wachten op een nieuwe samenleving. Het ontwikkelen van een nieuwe moraliteit zou een complex sociaal proces zijn dat generaties zou duren. De basis voor de ontwikkeling ervan wordt al gelegd onder het kapitalisme en de veranderingen die plaatsvinden op het vlak van de gezinnen. Dat zien we vandaag in de ontwikkelde kapitalistische landen waar persoonlijke relaties er anders uitzien dan honderd jaar geleden.

Maar ondanks de economische onafhankelijkheid van veel vrouwen en vooruitgang op het vlak van de sociale zekerheid, het wegwerken van legale ongelijkheden,… blijft de hiërarchische structuur van het kapitalisme een invloed hebben op persoonlijke relaties. Het feit dat een vrouw op vier slachtoffer wordt van geweld binnen het gezin, de brede verspreiding van seksisme en de culturele onderdrukking van vrouwen (wat tot uiting komt in pornografie of seksistische reclame) maakt duidelijk dat het probleem nog niet is opgelost.

De opvattingen van Kollontai genoten na de Russische revolutie een zekere steun onder jongeren. Velen experimenteerden met alternatieve vormen van relaties en huishoudens. De economische problemen en de burgeroorlog zetten de nieuwe samenleving onder druk, alle aandacht ging naar het heropbouwen van het door oorlog verwoeste land. Kollontai slaagde er onvoldoende in om haar theorieën over seksuele en persoonlijke relaties te verbinden met bredere politieke en theoretische discussies in de sovjetsamenleving. In andere discussies slaagde Kollontai er evenmin in om rekening te houden met de bestaande economische en sociale voorwaarden, zo steunde ze in 1922 de eis van de Arbeidersoppositie voor het overdragen van het economisch beheer aan de vakbonden. In een ontwikkelde socialistische economie zou dat een correcte eis zijn, maar in de realiteit van een achtergebleven en geïsoleerd land zou het tot rampen hebben geleid.

De combinatie van economische achterstand en het falen van de revolutionaire bewegingen in de ontwikkelde kapitalistische landen leidde tot de degeneratie van de nieuwe samenleving en een opkomst van een bureaucratische elite onder Stalin. Kollontai kon de zuiveringen van de jaren 1920 en 1930 ontwijken door zich schuil te houden, als diplomaat voor de Sovjetunie in het buitenland. Ze bleef zwijgen toen haar kameraden werden vermoord en tal van verworvenheden voor vrouwen in de periode na de revolutie werden terug geschroefd door het stalinistische regime.

Wat Kollontai hier allemaal van dacht, blijft onbekend. Biografen hebben het over een gevoelen van onmacht, ze dacht dat ze niets kon ondernemen tegen de bureaucratie en was gedemoraliseerd. Ze had geen vertrouwen in de kansen van de Linkse Oppositie rond Trotski om de politieke contrarevolutie te stoppen en om te keren.

Uiteindelijk stierf Kollontai in 1952 van ouderdom. Ze had zich aan het stalinistische regime aangepast. Het feit dat ze capituleerde voor het stalinisme neemt niet weg dat haar opvattingen belangrijk blijven. Wie vandaag opkomt tegen de onderdrukking van vrouwen, kan nog steeds heel wat opsteken van de teksten en activiteiten van Kollontai.

Scroll naar boven