Verkiezingsprogramma
13 juni 2004


Huisvesting: Woonprijzen eerste oorzaak van armoede!

Campagne tegen de afbraak van arbeiderswoningen in de Brugse Poort (Gent)

Onderzoeken wijzen uit dat in België de uitgaven aan huisvesting de eerste bron van armoede geworden zijn, voor o.a. werkloosheid of gezondheidskosten. In Nederland en Duitsland is dat slechts de zesde en zevende factor. Maar denk je nu dat die feitelijke gegevens leiden tot een andere politiek? Niets van!

Zoals vanouds gaat men hier verder met een beleid dat vooral eigendomsverwerving stimuleert (en daarbij een derde van de gezinnen in de kou laat staan, letterlijk overigens). Van de 2 miljard euro die jaarlijks besteed wordt aan huisvesting gaat slechts een zeer miniem deel naar huurders, terwijl die nog steeds 28% van de bevolking vertegenwoordigen.

In plaats van een solidariteit van de betere verdieners tegenover de minder begoeden, krijgen we op huisvestingsvlak eerder een omgekeerde solidariteit opgelepeld.

Woningen van slechte kwaliteit

In 1995 telde Vlaanderen zo’n 300.000 woningen van slechte kwaliteit, waarvan 45% wordt bewoond door huurders. Bijna een op vijf huurders woont in een woning waaraan meerdere zware gebreken zijn. En betere wetgeving (de Vlaamse wooncode van ’98, die o.a. kwaliteitsbewaking voorschrijft) heeft daaraan niet veel verholpen. Waarom?

De reden ligt vooral in het schrijnende gebrek aan betaalbare eengezinswoningen. Waarom zou je een procedure tegen de eigenaar opstarten als het resultaat kan zijn dat je gewoon helemaal geen woning meer hebt. Waar in andere Europese landen richtprijzen bestaan voor woningen, afhankelijk van de aangeboden kwaliteit, is in België de prijsvorming totaal vrij. Dat leidt tot hoge huurprijzen, zelfs als de kwaliteit slecht is. Centraal in dit proces is tevens dat het aanbod van sociale woningen extreem laag is in België. Nog geen 8% van de woningmarkt bestaat uit sociale woningen, terwijl dat in Europa gemiddeld 17% is en in Nederland bijvoorbeeld 40%. Met een degelijk aanbod van sociale huurwoningen heeft de overheid de mogelijkheid druk uit te oefenen op privé-huurders, zowel op vlak van de prijs als op vlak van de aangeboden kwaliteit.

Kopen of huren?

Zoals reeds gesteld gaan alle partijen in België ervan uit dat kopen de beste optie is. Stevaert noemt het een vorm van sociale zekerheid, de “beste vorm” overigens. En het is in ons land inderdaad vaak zo dat bejaarden slechts comfortabel van hun oude dag kunnen genieten als ze in het bezit zijn van een eigen woning.

Dat heeft veel te maken met ten eerste de lage pensioenen die in België worden uitgekeerd. Zowel mannen als vrouwen moeten een loopbaan van 45 jaar achter de rug hebben om van een volledig pensioen te kunnen genieten – vooral voor vrouwen een verre droom. Tweede oorzaak is het hierboven geschetste woonbeleid dat leidt tot hoge huurprijzen.

Stevaert beoogt hier een grote kost af te schuiven op de individuele arbeider: je zult je hele leven werken om een huis te kopen of arm zijn op je oude dag! In onze ogen is dat een weinig sociale politiek, die bovendien een derde van de gezinnen, toch geen te verwaarlozen minderheid, volledig uit de boot doet vallen.

Onderzoek wijst uit dat om van kopen de meest voor de hand liggende en goedkoopste formule te maken twee voorwaarden moeten worden vervuld: vast werk en een vaste relatie in een tweeverdienersgezin. Met de huidige werkonzekerheid door herstructureringen in de privé én in de openbare diensten en de ontwikkeling van hamburgerjobs blijkt vast werk steeds meer een verre droom voor velen. En ook de ontwikkeling van de samenlevingsvormen weg van het huwelijk voor het leven maakt dat kopen niet evident is.

700.000 gezinnen in België - eenoudergezinnen, eenverdienersgezinnen, gezinnen geraakt door werkloosheid of ondertewerkstelling,... – hebben aan het huidige beleid geen boodschap. Niet weinig arbeiders die hun job verliezen, verliezen eveneens hun woning omdat ze niet langer kunnen voldoen aan de afbetalingsplicht.

Sociale woningen om hen op te vangen, zijn er niet. In Vlaanderen staan meer dan 60.000 gezinnen op een wachtlijst voor een sociale woning en in Brussel nog eens zoveel. Van de 15.000 sociale woningen die door de Vlaamse regering aan het begin van de regeerperiode waren beloofd, is slechts ongeveer de helft gerealiseerd.

LSP/MAS wil strijd voeren om dit asociale huisvestingsbeleid om te gooien. Wonen - een basisbehoefte - zou niet arm mogen maken. Daartoe moet de samenleving over middelen beschikken: een uitgebreide markt van sociale woningen.

We verzetten ons tegen de inbreng van privé-kapitaal in de sociale woonsector: waar de privé geld inbrengt, wil ze winst maken, wat indruist tegen het hele idee van een sociale woning. We willen een harde aanpak van de speculatieve leegstand, van onredelijk hoge huurprijzen, van huisjesmelkers die verkrotte panden verhuren aan de sociaal zwaksten, zoals vluchtelingen, jongeren,... We willen geen belasting op leegstand, maar het aanslaan van leegstaande woningen en gebouwen, ook in het centrum van de steden, om er mits renovatie sociale woningen van te maken. Geen woonkazernes voor de armen en groene weidsheid voor de beter begoeden, maar sociale stadsrenovatie die maakt dat ook centrumwoningen en woningen in de groene rand toegankelijk worden voor minder begoeden.

De overheid moet garanderen dat niemand meer dan 20% van zijn/haar inkomen moet spenderen aan wonen. Dat betekent in de eerste plaats een massaal programma van sociale woningbouw - in publieke handen - om die garantie betaalbaar te houden. Daar waar de overheid in gebreke is voor wat betreft het aanbod aan betaalbare sociale woningen, moeten huursubsidies komen, samen met een effectieve bewaking van de prijs/kwaliteitsverhouding van privé-huurwoningen en een harde aanpak (o.a. onteigening zonder compensatie) van huisjesmelkers.

Sociale mix “verbeteren”

Dat is steeds opnieuw wat wordt voorgesteld in geval van woonproblemen, zowel wat betreft de sociale woningen (waar meer betalende huurders de lage huurprijzen van de arme bewoners moeten compenseren) als voor wijken waar een probleem van huisvesting van slechte kwaliteit bestaat.

Het kopen van een sociale woning is gemakkelijker gemaakt en de inkomensgrenzen om in aanmerking te komen voor een sociale woning zijn versoepeld. De magere 8% sociale woningen zijn dus niet eens volledig bestemd voor de zwakste huurders (voor wie het al niet voldoende is), maar moeten ook nog eens beterverdieners aantrekken om de inkomsten van de huisvestingsmaatschappijen op peil te houden.

Deze situatie zal enkel verder in de hand worden gewerkt door PPS (publiek/private samenwerking of het aantrekken van privé-kapitaal voor sociale woningbouw): privé-kapitaal wordt enkel geïnvesteerd als het ook kan opbrengen. Het risico van het verkopen van sociale woningen bestaat er ook in dat vooral de woningen van betere kwaliteit zullen verdwijnen uit het aanbod, terwijl door de vermindering van de huurinkomsten van een beter verdienende groep de prijzen voor de resterende sociale woningen zullen stijgen. Het is een fabeltje dat dit zou leiden tot méér sociale woningen: met rekent dat men twee tot drie sociale woningen moet verkopen om voldoende geld te hebben om een nieuwe te bouwen.

Op vlak van stadsvernieuwing, die in sommige grootstedelijke wijken, maar ook in de kleinere steden en gemeenten vaak broodnodig is, wordt eveneens met de magische formule “sociale mix” getoverd. Dat gebeurt nooit om rijke wijken, met veel groen en veel ruimte, open te stellen voor kansarmen door de inplanting van betaalbare sociale woningen. Neen, waar het hem om gaat is de openlijke armoede te verjagen met vernieuwingsprojecten die beterverdieners aantrekken.

Overal leiden dit soort projecten ertoe dat huur- en koopprijzen verder stijgen en ook die wijken meer en meer afgesloten worden voor kansarmen. De enige winnaars in dit spel: een aantal grote immobiliënmaatschappijen die de privé-huurmarkt monopoliseren en zonder noemenswaardige kwalitatieve aanpassingen hun opbrengsten verder kunnen opdrijven.